25/05/2026
in gesprek met Aap, Fant, Krook en vrienden
Over thuiszitters, schooltrauma en wat gedrag ons probeert te vertellen
Een kind dat boos wordt, wegloopt, stilvalt, weigert, zich terugtrekt of niet meer naar school gaat, vertelt iets. Alleen gebruikt het vaak geen keurige volzinnen. De buikpijn komt eerder dan de uitleg. De paniek komt eerder dan het plan. De boosheid komt eerder dan het inzicht.
Daarom werken we met Aap, Fant, Krook, Hippo, Giraf en Leeuw. Zij helpen ingewikkelde processen begrijpelijk maken. Voor kinderen, ouders, leerkrachten, hulpverleners en iedereen die weleens denkt: wat gebeurt hier nou eigenlijk?
Voor deze blog nodigden Ingrid en ik onze vrienden uit voor een gesprek over thuiszitters en schooltrauma. Gewoon aan de rand van het bos, bij het water. Hippo kon half ondergedoken luisteren, Krook kon doen alsof hij sliep en Aap kon boven op Fant zitten alsof hij de gespreksleider was.
Aap begon al druk te vertellen voordat iemand iets had gevraagd. “Als we het over thuiszitters hebben,” zei hij, “moeten we eerst goed weten wat we bedoelen. Want anders gaan mensen weer denken dat een kind gewoon geen zin heeft. Of dat ouders te beschermend zijn. Of dat school niets verkeerd doet. Of dat school alles verkeerd doet. Of dat motivatie het probleem is. Terwijl motivatie meestal pas werkt als het zenuwstelsel niet in brand staat.”
Fant zuchtte diep. “Kun je iets zachter praten? “Ik krijg nu al buikpijn.”
Krook deed één oog open. “Ik vertrouw dit gesprek nog niet.”
Hippo kwam langzaam boven water. “Gaat dit over nu, of over wat eerder is gebeurd?”
Giraf boog haar lange nek naar de kring. Haar stem was laag en zacht, alsof ze eerst de lucht rustiger maakte voordat ze woorden gebruikte. “Vandaag praten we over kinderen die niet meer naar school gaan,” zei ze. “En over wat volwassenen soms niet zien.”
“Wanneer begint thuiszitten volgens jullie?” vroeg Ingrid.
Aap stak zijn vinger op. “Veel eerder dan de eerste verzuimdag.”
“Hoe zie je dat?” vroeg ik.
“Buikpijn. Hoofdpijn. Niet slapen. Boosheid na school. Stilvallen in de auto. Een kind dat op zondagavond nergens meer tegen kan. Een kind dat steeds vaker ziek lijkt. Een kind dat zegt dat het moe is, maar eigenlijk niet meer kan schakelen. Volwassenen noemen dat vaak gedrag. Fant noemt het meestal al weken alarm.”
Fant knikte langzaam. “Mijn lijf weet het vaak eerder dan Aap.”
Daar zit vaak de kern. We wachten in onderwijs en zorg nogal eens tot een kind kan uitleggen wat er aan de hand is. Maar bij stress raakt taal juist minder beschikbaar. Een kind kan dan soms alleen nog voelen: ik kan daar niet heen. Ik wil zou wel willen, maar mijn lijf zegt nee.
“En als niemand naar Fant luistert,” zei Krook, “dan kom ik.”
“Wat doe jij dan?” vroeg Ingrid.
Krook rekte zijn poten. “Ik bescherm. Ik maak het lijf klaar om weg te komen, te vechten of te bevriezen. Dat kan eruitzien als boosheid, weigeren, brutaal gedrag, niet reageren, huilen, liegen, ontwijken, clownesk doen of ineens heel moe worden. Mensen noemen dat dan lastig. Ik noem het: te laat geluisterd.”
Giraf keek hem even aan.
“Wat?” zei Krook. “Het is toch zo?”
Aap knikte. “Het probleem is dat volwassenen vaak pas reageren wanneer gedrag zichtbaar wordt. Terwijl het kind dan vaak al veel langer onder druk staat. Vaak is de vraag: hoe krijgen we dit kind weer naar school? Maar de eerste vraag zou moeten zijn: wanneer is school onveilig gaan voelen?” Dat is een andere vraag dan: waarom wil dit kind niet? Het is ook een andere vraag dan: hoe krijgen we hem zo snel mogelijk terug?
Hippo kwam iets hoger uit het water. “Soms is er geen één groot moment. Soms zijn het allemaal kleine ervaringen. Een kind dat steeds niet weet wat de bedoeling is. Een docent die zucht. Een klas die lacht. Een toets die mislukt. Een opmerking als: ‘Je moet gewoon beter je best doen.’ Een plein waar niemand naast je komt staan. Een mentor die het goed bedoelt, maar net te snel over je heen praat. Elke keer lijkt het klein. Maar kleine dingen kunnen groot worden als ze vaak genoeg gebeuren.”
“Stapelingen van nare momenten,” zei Aap.
Fant trok zijn oren iets naar achteren. “Dat klinkt zwaar.”
“Dat is het soms ook,” zei Ingrid. “Maar het betekent niet dat er altijd één grote ramp is geweest. Het betekent dat herhaalde kleine momenten van schaamte, onmacht, onveiligheid of niet gezien worden sporen kunnen achterlaten. Zeker bij kinderen die al gevoelig zijn voor stress, prikkels, afwijzing of onduidelijkheid.”
Hippo knikte. “Ik bewaar die sporen. Niet altijd netjes. Soms leg ik iets van vroeger boven op iets van nu. Dan is een lokaal niet alleen een lokaal. Dan is het ook de plek waar je ooit uitgelachen werd. Een toets is niet alleen een toets. Het is ook het bewijs dat je misschien weer faalt. Een schoolbel is niet alleen een geluid. Het is alarm.”
Fant keek naar het water. “Een mail van school kan ook alarm zijn.”
“Ja,” zei Hippo. “Zelfs de naam van school op een scherm kan genoeg zijn.”
Krook schoof zijn staart door het zand. “En dan zeggen volwassenen: ‘Maar er is nu toch niets aan de hand?’”Hij snoof. “Dat is alsof je tegen een rookmelder zegt dat hij zich aanstelt omdat jij geen rook ziet.”
Aap keek enthousiast. “Die moet op een poster.” “Met mijn naam erbij,” zei Krook.
“Daarom helpt ‘je moet er gewoon doorheen’ vaak niet,” zei Fant zacht. “Mijn lijf hoort dan vooral: ze begrijpen het nog steeds niet.”
We zien dit zo vaak zeiden we. Een kind loopt vast. Ouders raken gespannen. School voelt zich handelingsverlegen. Leerplicht komt erbij. Er worden plannen gemaakt. Soms met de beste bedoelingen. Maar als het onderliggende alarmsysteem niet begrepen wordt, wordt elk plan een nieuwe vorm van druk.
“Wat gaat er mis bij goedbedoelde plannen?” vroeg Ingrid.
Aap haalde adem alsof hij een lezing van drie uur ging geven. Giraf keek hem rustig aan. “Kort,” zei ze.
Aap slikte zijn eerste twee alinea’s in. “Volwassenen maken vaak een plan om hun eigen spanning te verminderen,” zei hij. “Niet expres. Maar ze willen houvast. Dus komt er een opbouwschema, een doel, een datum, een evaluatie, een afspraak. Dat kan helpend zijn. Maar voor een kind in alarm kan zo’n plan voelen als: nu moet ik weer bewijzen dat ik het kan.”
Fant knikte. “En als het dan niet lukt, voel ik mij nog slechter.”
Hippo vulde aan. “Elke mislukte poging wordt ook een herinnering. Weer geprobeerd. Weer vastgelopen. Weer mensen teleurgesteld. Weer schaamte. Weer bewijs dat school gevaarlijk is.”
“Dus terugkeer moet voorzichtig?” vroeg ik.
“Terugkeer moet veilig genoeg zijn,” zei Giraf. “Voorzichtig is niet hetzelfde als passief. Je kunt actief werken aan herstel zonder te duwen.”
Krook bromde. “Dat zouden meer mensen op een cursus mogen leren.”
“Daar geven wij toevallig trainingen in,” zei Ingrid droog.
Aap keek op. “Mooi bruggetje.”
We moesten lachen. Fant ook een beetje, al keek hij eerst of Krook het veilig vond.
“Wat is het verschil tussen helpen en duwen?” vroeg ik.
Krook was sneller dan Aap. “Helpen voelt alsof iemand naast je komt staan. Duwen voelt alsof iemand achter je staat met een agenda.”
Fant zei: “Helpen vraagt wat mijn lijf aankan. Duwen vraagt wat het systeem nodig heeft.”
Hippo zei: “Helpen onthoudt wat eerder misging. Duwen doet alsof vandaag losstaat van gisteren.”
Giraf zei: “Helpen vertraagt genoeg om vertrouwen op te bouwen. Duwen gebruikt tempo om onzekerheid te overschreeuwen.”
Aap keek een beetje beledigd. “Jullie hebben mijn antwoord al gegeven.”
“En een stuk korter,” zei Krook.
Ingrid vroeg: “Wat moeten mensen begrijpen over een kind dat thuiszit?”
Fant antwoordde deze keer als eerste. “Dat thuis niet altijd fijn is. Soms lijkt het alsof een kind thuis lekker veilig zit en school vermijdt. Maar vaak zit het kind thuis met schaamte, angst, schuldgevoel, vermoeidheid en een hoofd dat maar blijft denken. Het is geen vakantie. Het is herstel met een rotgevoel.”
Aap knikte. “Thuiszitten wordt vaak gezien als het probleem. Maar thuiszitten kan ook het gevolg zijn van een probleem dat al langer bestaat. Het is een signaal dat het systeem vastloopt.”
“Maar langdurig thuiszitten is toch ook schadelijk?” vroeg ik.
“Zeker,” zei Aap. “De wereld kan kleiner worden. Het dagritme kan verdwijnen. Contact met leeftijdsgenoten neemt af. De drempel naar school wordt hoger. Ouders raken uitgeput. Angst kan groeien. Daarom moet je thuiszitten serieus nemen. Maar serieus nemen is iets anders dan snel terugduwen.”
Krook bromde. “Als iemand bijna verdronken is, zeg je ook niet: hup, terug het diepe in, anders wordt zwemmen alleen maar spannender.”
Giraf knikte. “Je onderzoekt eerst wat er nodig is om water weer veilig genoeg te maken.”
“En soms,” zei Hippo, “moet je ook eerlijk kijken naar wat er in dat water gebeurde.”
Daar werd het even stil van.
Want dat is vaak het moeilijkste. Schooltrauma vraagt niet alleen iets van het kind. Het vraagt ook iets van volwassenen, scholen en systemen. Durven we te kijken naar onze taal, onze verwachtingen, onze tempo’s, onze protocollen, onze macht? Durven we te erkennen dat een kind beschadigd kan raken in een omgeving die voor andere kinderen prima werkt? Durven we te zien dat goede bedoelingen geen garantie zijn voor veiligheid?
Giraf stelde de volgende vraag langzaam.
“Wat gebeurt er als school zegt: ‘Wij zien het probleem hier niet’?”
Fant werd kleiner. “Dan voel ik mij alleen.”
Aap zei: “Dat is een veelvoorkomende valkuil. Sommige kinderen maskeren op school. Ze houden zich groot, passen zich aan, doen wat moet, zeggen weinig, scannen de hele dag, en storten thuis in. Dan zegt school: ‘Bij ons gaat het goed.’ Maar soms betekent dat alleen dat het kind op school nog net overleeft.”
Krook hief zijn kop. “Knap hè. Eerst vragen ze een kind om zich de hele dag in te houden en daarna noemen ze de instorting thuis een opvoedprobleem.”
Giraf keek hem aan. Krook keek terug. “Ik zei het alleen wat sneller dan jullie.”
Ingrid glimlachte. “Maar dit is wel belangrijk. De plek waar gedrag zichtbaar wordt, is niet automatisch de plek waar het probleem ontstaat.”
Bij veel kinderen komt de ontlading thuis omdat thuis de plek is waar ze het eindelijk loslaten. Dat betekent niet dat ouders niets hoeven te leren. Ouders staan vaak zelf ook onder enorme druk en kunnen vanuit stress reageren. Maar het is te simpel om te zeggen: op school zien we het niet, dus het zal thuis wel liggen.
Hippo zei: “Je moet het hele patroon zien. Wat gebeurt er vóór school? Tijdens school? Na school? In de nacht? Op zondagavond? Na een toetsweek? Na sociale conflicten? Na vakantie? Daar zit vaak de informatie.”
Aap vulde aan: “En let op taal. Taal stuurt het beeld. Noem je een kind ‘schoolweigeraar’, dan denk je aan gezag en onwil. Noem je het ‘angstig’, dan denk je aan behandeling. Noem je het ‘overbelast’, dan denk je aan belasting en herstel. Noem je het ‘ongemotiveerd’, dan ga je motiveren. Noem je het ‘een kind met schoolgerelateerde stress’, dan ga je onderzoeken wat school oproept in het hoofd en lijf van het kind.”
“Thuiszitter is eigenlijk ook een raar woord,” zei Fant. “Het zegt waar ik ben. Niet waarom.”
“Precies,” zei Giraf. “Het woord beschrijft de locatie, niet de betekenis.”
Krook keek tevreden. “Kind met vastgelopen schoolsysteemervaring.”
Aap trok een wenkbrauw op. “Dat bekt niet.”
“Wel eerlijk,” zei Krook.
Ingrid vroeg: “Wat zouden scholen, ouders en hulpverleners dan wel moeten vragen?”
Aap veerde op. “Mag ik nu wel iets langer?”
Giraf knikte.
“Vraag wanneer school zwaar begon te voelen. Vraag wat de moeilijkste momenten van de dag zijn. Vraag welke plekken spanning oproepen. Vraag welke mensen veilig voelen. Vraag welke woorden schaamte groter maken. Vraag wat er thuis gebeurt na school. Vraag wat een kind nodig heeft om te herstellen. Vraag wanneer het nog wel lukte en wat er toen anders was. Vraag wat het kind in zijn lijf voelt als het aan school denkt. Vraag wat er gebeurt als het misgaat. Vraag of afspraken betrouwbaar voelen. Vraag of het kind weet waar het heen kan als spanning oploopt.”
Fant zei: “En vraag niet alles tegelijk.”
Aap stopte. “Goed punt,” zei hij.
Krook keek naar mij. “En professionals moeten zichzelf ook iets vragen.”
“Wat dan?” vroeg ik.
“Ben ik aan het helpen of aan het duwen?”
Het was weer zo’n Krook-zin. Kort. Ongemakkelijk. Waar.
Giraf liet de stilte even aan.
“Die vraag vraagt eerlijkheid,” zei ze. “Want duwen kan er heel professioneel uitzien. Het kan verpakt zijn in zorg, beleid, aanwezigheidsplicht, een stappenplan of een vriendelijk gesprek. Maar het zenuwstelsel van het kind voelt vaak precies of iemand naast hem staat of hem vooruit probeert te krijgen.”
Ingrid vroeg: “Hoe ziet een veilige eerste stap eruit?”
Fant keek onzeker. “Klein.”
“Hoe klein?” vroeg ik.
“Kleiner dan volwassenen meestal bedenken,” zei Fant.
Aap nam het over. “Soms begint terugkeer niet met een les volgen. Soms begint het met langs het gebouw lopen. Of na schooltijd even naar binnen. Of één veilige volwassene spreken. Of een lokaal zien zonder klas erin. Of samen een plek zoeken waar het kind naartoe kan als het te veel wordt. Of thuis weer iets van leren oppakken zonder druk. Of alleen contact herstellen voordat er over prestaties gesproken wordt.”
Hippo zei: “En maak vooraf duidelijk wat er gebeurt als het niet lukt. Wordt iemand boos? Moet het kind uitleg geven? Komt er straf? Worden ouders gebeld alsof er iets fout is gegaan? Een kind moet weten dat terugval informatie is, geen bewijs van mislukking.”
Giraf knikte. “Een veilige stap heeft een veilige uitgang.”
Fant ademde hoorbaar uit. “Ja. Als ik weet dat ik weg mag als het niet gaat, durf ik soms juist langer te blijven.”
Krook keek op. “Maar dan moet het wel echt mogen. Niet van dat schijnveilig gedoe.”
“Wat bedoel je daarmee?” vroeg Ingrid.
“Volwassenen zeggen soms: ‘Je mag altijd aangeven als het te veel is.’ Maar als het kind dat dan doet, komt er teleurstelling, discussie, uitleg, druk of een verslag waarin staat dat het kind onvoldoende heeft meegewerkt. Dan leert het: woorden zijn onbetrouwbaar.”
Aap wees naar Krook. “Dat is een belangrijke. Veiligheid moet niet alleen worden beloofd. Veiligheid moet herhaald ervaren worden.”
Dat geldt ook voor ouders. Veel ouders van thuiszitters zijn niet alleen moe van de situatie thuis. Ze zijn moe van het moeten bewijzen dat hun kind echt vastloopt. Moe van gesprekken waarin ze zich verdedigd voelen. Moe van mails met nette zinnen waar toch druk onder zit. Moe van het gevoel dat hun kind een dossier is geworden.
Fant keek naar Ingrid. “Ouders zijn ook vaak bang.”
“In welke zin?” vroeg Ingrid.
“Bang dat hun kind nooit meer terugkomt. Bang dat school denkt dat zij het verkeerd doen. Bang voor leerplicht. Bang voor oordeel van familie. Bang dat hun kind depressief wordt. Bang dat ze te veel beschermen. Bang dat ze te weinig beschermen. Bang dat elke keuze verkeerd is.”
Hippo zei: “En kinderen voelen die angst. Dan wordt thuis ook lastiger.”
Krook bromde. “Dus als je ouders alleen maar onder druk zet, maak je het kind vaak ook onveiliger.”
Giraf keek naar ons. “Samenwerking begint met erkenning. Niet met schuld.”
Dat klinkt eenvoudig, maar in de praktijk is het vaak ingewikkeld. School kan zich aangevallen voelen. Ouders kunnen zich niet geloofd voelen. Hulpverlening kan te snel willen verklaren. Gemeenten kunnen naar aanwezigheid en trajecten kijken. Leerplicht kan druk ervaren vanuit wettelijke kaders. En het kind zit ondertussen in het midden van al die volwassen spanning.
Aap zei: “Daarom is taal zo belangrijk. Zeg niet: ‘Hij weigert school.’ Zeg: ‘Schoolgang lukt op dit moment niet zonder ernstige stressreactie.’ Zeg niet: ‘Ouders houden het in stand.’ Zeg: ‘We onderzoeken welke patronen thuis en school onbedoeld bijdragen aan spanning of herstel.’ Zeg niet: ‘Ze moet gemotiveerd worden.’ Zeg: ‘We kijken wat nodig is om veiligheid, energie en perspectief terug te brengen.’”
Krook trok zijn bek scheef. “Klinkt minder lekker, maar scheelt een hoop schade.”
Ingrid vroeg: “Wat is het gevaar van straffen en belonen bij thuiszitters?”
Krook ging er meteen voor liggen alsof dit zijn favoriete onderwerp was.
“Als een kind ontregeld is, moet je regulatie niet afhankelijk maken van goed gedrag. Beweging, rust, contact, buiten zijn, voorspelbaarheid en herstel zijn geen prijzen die je verdient. Dat zijn voorwaarden om weer beschikbaar te worden.”
Fant knikte fel. “Als ik pas rust krijg wanneer ik rustig ben, kom ik nergens.”
Aap zei: “Belonen en straffen kunnen soms gedrag beïnvloeden, maar bij schooltrauma zit je vaak niet in een simpel motivatieprobleem. Je zit in stress, schaamte, vermijding, geheugen, overbelasting en verlies van vertrouwen. Als je daar alleen met consequenties op reageert, vergroot je vaak precies wat je wilt verminderen.”
Krook keek triomfantelijk. “Een rookmelder stopt niet met piepen omdat je hem een sticker belooft.”
“Die hadden we al,” zei Aap.
“Hij blijft goed,” zei Krook.
Giraf vroeg: “Wat heeft een kind dan nodig?”
Fant antwoordde zacht. “Iemand die gelooft dat mijn lijf iets vertelt.”
Hippo zei: “Iemand die helpt ordenen wat van toen is en wat van nu.”
Krook zei: “Iemand die mij niet groter maakt door druk.”
Aap zei: “Iemand die woorden geeft aan wat er gebeurt zonder het kind vast te zetten.”
Giraf zei: “Iemand die rustig genoeg blijft om veiligheid te lenen.”
Ik vond dat mooi: veiligheid lenen. Want dat is co-regulatie. Een kind dat in alarm staat, heeft niet altijd direct toegang tot eigen rust. Het leent als het ware rust van een ander zenuwstelsel. Van een ouder, leerkracht, mentor, hulpverlener of begeleider die niet schrikt van spanning, niet meteen gaat controleren, niet persoonlijk wordt geraakt door weerstand, en niet het eigen ongemak oplost door harder te duwen.
“Wat zouden jullie tegen een kind willen zeggen dat thuiszit?” vroeg Ingrid.
Fant keek lang naar het water.
“Dat je niet raar bent,” zei hij uiteindelijk. “Dat je lijf niet kapot is. Dat je lijf probeert te beschermen. Dat het heel naar kan zijn als school te veel is geworden. Dat je meer bent dan je verzuim. Dat kleine stappen ook stappen zijn. En dat je niet eerst perfect hoeft uit te leggen wat er is voordat iemand je serieus mag nemen.”
Hippo zei: “Wat gebeurd is, hoeft niet steeds opnieuw te gebeuren. Maar je systeem moet wel kunnen leren dat nu anders kan zijn dan toen.”
Krook zei: “En tot die tijd blijf ik in de buurt.”
Aap slikte. Voor het eerst zei hij even niets.
Giraf keek naar hem. “En jij, Aap?”
Aap haalde adem. “Ik zou zeggen dat denken soms terugkomt als het lijf zich veiliger voelt. Dus als je nu niet kunt uitleggen waarom school niet lukt, betekent dat niet dat er geen reden is. Het betekent misschien dat je systeem nog te hard moet werken.”
Ingrid keek mij aan. Dit is waarom we bij Aap, Fant en Krook op bezoek gingen. Omdat ze iets zichtbaar maken wat in mensentaal vaak verdwijnt.
Thuiszitters zijn geen kinderen die zomaar thuis zitten. Schooltrauma is geen modeterm voor kinderen die geen zin hebben. Het gaat over een zenuwstelsel dat school is gaan koppelen aan dreiging, schaamte, overbelasting of machteloosheid. Soms door grote gebeurtenissen. Vaak door een opeenstapeling van kleine ervaringen die te lang niet begrepen zijn.
En natuurlijk moeten we blijven zoeken naar ontwikkeling. Naar onderwijs. Naar contact. Naar perspectief. Een kind heeft recht op leren, op leeftijdsgenoten, op toekomst. Maar dat lukt alleen als we stoppen met doen alsof aanwezigheid hetzelfde is als herstel.
Giraf stond langzaam op. Leeuw was in de verte tussen de bomen verschenen. Fant verstijfde. Krook was onmiddellijk alert. Hippo keek om zich heen.
Giraf bleef rustig. “We zijn hier,” zei ze. “Niet daar. Dit is nu. Leeuw is ver weg. Wij blijven bij elkaar.”
Fant haalde langzaam adem. Zijn poten zakten weer iets steviger in het zand. Aap legde een hand op zijn hoofd. Krook bleef kijken, maar zijn staart stopte met zwiepen. Hippo kwam weer iets hoger uit het water.
“Zie je?” zei Ingrid zacht. “Dat is wat veiligheid doet.”
Giraf knikte.
“Veiligheid haalt het gevaar niet altijd meteen weg,” zei ze. “Maar het helpt het systeem voelen dat het gevaar niet alleen gedragen hoeft te worden.”
Dat is misschien wel de essentie.
Wie met thuiszitters en schooltrauma werkt, moet verder kijken dan verzuim. Verder dan motivatie. Verder dan gedrag. Verder dan het rooster. De vraag is niet alleen hoe we een kind zo snel mogelijk terug naar school krijgen.
De betere vraag is:
wat moet er veranderen zodat school weer veilig genoeg wordt om te kunnen leren? En misschien begint dat met een tweede vraag, minstens zo belangrijk: kunnen wij als volwassenen rustig genoeg blijven om echt te luisteren naar wat gedrag ons probeert te vertellen?
In onze filmpjes en podcasts over trauma, stress en gedrag leggen Aap, Fant, Krook, Hippo, Giraf en Leeuw dit soort processen stap voor stap uit. Op een manier die kinderen kunnen begrijpen en volwassenen niet mogen overslaan. Want pas als je begrijpt wat er onder gedrag gebeurt, kun je iets doen dat echt helpt.
Welkom op het kanaal van TraumaTrainingen. Wij zijn Marjon Kuipers en Ingrid de Jong, beiden MSc gedragsanalist. We geven trainingen en maken video’s voor iedereen die gedrag, stress en trauma beter wil leren begrijpen. www.traumatrainingen.nl