04/08/2026
Ze ploft op de bank.
Mijn rug…
Al drie weken.
We hadden hier eerder al aan gewerkt. Toen was de pijn verdwenen.
Dus ik vraag haar:
Waarom heb je eigenlijk zo lang gewacht?
Ze haalt haar schouders op.
Ik denk dat ik verkeerd heb getraind.
Ik begin te lachen.
Niet om haar.
Ze kent me inmiddels goed genoeg om precies te weten waarom.
We zoeken zó snel een fysieke verklaring.
Verkeerd getild.
Verkeerd geslapen.
Verkeerd getraind.
Dat voelt ergens ook prettig. Dan heeft de rug ‘schuld’.
Maar wat als er méér meespeelt?
We gaan aan de slag.
Dat gaat snel. Ze kent mijn manier van werken inmiddels. We hoeven niet meer uit te leggen hoe haar lichaam reageert. We kunnen meteen onderzoeken wat er nú speelt.
Na een uur staat ze op.
Ze tilt haar benen weer omhoog.
Trekt zonder moeite haar sokken aan.
Zonder pijn.
Ik kijk haar aan en zeg met een flinke knipoog:
Best bijzonder hè… drie weken met rugpijn rondlopen, terwijl je blijkbaar niet drie weken pijn hóéfde te hebben.
We moeten allebei lachen.
Leuk detail?
Ik heb haar tijdens de hele sessie niet één keer aangeraakt.
Een week later kom ik haar tegen.
Van een afstand zie ik het al.
Een grote glimlach.
Ze straalt.
“Alles gaat weer goed,” zegt ze.
En ik?
Mijn glimlach wordt alleen maar groter.
We zoeken vaak als eerste naar de plek waar het pijn doet.
Soms is de klacht niet alleen een rug die pijn doet.
Soms is het veel logischer om te onderzoeken waarom die rug op dát moment zó reageerde.