20/05/2026
Verbloemd Lijden – Over de moed om te blijven
Lieve mensen,
Wij leven in een tijd waarin het leven glanst.
Wanneer wij een ziekenhuis binnenlopen – een plaats waar het menselijk bestaan zich toont in zijn meest kwetsbare vorm – treffen wij geen stilte van broosheid aan, maar cappuccino, cadeauwinkels, fitnessruimtes en kaarten met opgewekte teksten. “There is a CAN in cancer.” Alsof zelfs daar, waar ons lichaam breekt, de glimlach verplicht is.
Het Huis van Ziekte lijkt geen huis van lijden meer.
Maar waar is het lijden gebleven?
Het is niet verdwenen.
Het is toegedekt.
Bloemrijk toegedekt.
Wij hebben geleerd om het onaangename uit beeld te duwen. Want wij willen leven in het licht van succes, zelfstandigheid, maakbaarheid. Wij willen geloven dat het leven beheersbaar is, dat wij regie hebben, dat wij onszelf kunnen optimaliseren tot wij passen in het ideaal van een geslaagd bestaan.
Maar wie van ons heeft het leven ooit volledig in de hand gehad?
Wie van ons heeft gekozen voor ziekte, voor verlies, voor een nacht van wanhoop waarin de wereld stil en koud werd?
En toch – in onze tijd – wordt het lijden een individueel project. Als je verdriet hebt, moet je het verwerken.
Als je ziek bent, moet je vechten. Als je faalt, moet je leren. Als je valt, moet je sterker opstaan.
En als dat nou allemaal niet lukt?
Dan heb je volgens de wereld blijkbaar niet goed genoeg je best gedaan. Dat is de stille wreedheid van onze cultuur.
Wij zeggen dat we het lijden willen verminderen – en dat is goed. Maar ondertussen verdringen wij het.
En wat verdrongen wordt, keert terug. Als schaamte.
Als eenzaamheid. Als het gevoel overbodig te zijn.
Want wat gebeurt er met degene die niet meer kan presteren?
Met degene die roept, steeds weer roept, om aandacht?
Wat gebeurd er met degene die verward is, die ruikt naar aftakeling, die het ons ongemakkelijk maakt?
Wij voelen irritatie. Afkeer wellicht. En dat is menselijk.
Maar precies daar begint het echte werk van samenleven.
Niet in de glimlach.
Niet in de folder of het krant-artikel over zelfregie.
Maar in het moment waarop wij onze neiging voelen om weg te kijken – En… dan toch te blijven.
Het wezenlijke tussen mensen, gebeurt in dat ogenblik:
ga ik naar de ander toe, of trek ik mij terug?
Geef ik ruimte, of duw ik het weg?
Onze samenleving heeft ons geleerd dat wij autonoom moeten zijn. Onafhankelijk. Zelfredzaam. Maar in waarheid hangen wij ons jasje van zelfstandigheid al bij de deur, wanneer het leven ons treft: In het ziekenhuis. In de rouw. In de depressie.
In de ouderdom.
Dan blijkt: wij zijn geen ondernemers van ons bestaan.
Wij zijn kwetsbare wezens, aan elkaar toevertrouwd.
Broosheid is geen afwijking van het leven.
Zij is de kern ervan.
Het ene moment bloeien wij.
Het andere moment liggen wij in stukken.
En wat als dat niet iets is om te repareren, maar om te delen?
Niet om te verbergen, maar om te erkennen?
Niet om mooier te maken dan het is, maar om samen te dragen?
Misschien is het ware falen niet dat wij lijden. Misschien is het ware falen dat wij soms doen alsof het er niet is.
En misschien begint genezing – niet als overwinning,
niet als les, niet als verrijking –
maar gewoon als eenvoudige aanwezigheid.
Maar lieve mensen, wij blijven.
Ook wanneer het niet glanst.
Ook wanneer het schuurt.
Ook wanneer jij niet meer past in het ideaal.
Want wij horen niet bij elkaar omdat wij slagen.
Wij horen bij elkaar omdat wij kwetsbaar zijn.
En dat vraagt geen perfectie.
Dat vraagt moed.
De moed om het lijden niet langer te verbloemen.
De moed om het lijden waarachtig te zien.
De moed om te blijven.
Auteur: Michiel Woldendorp